Wilhelmina Arnoldina Snethlage
(Tante Mien)

1890-1982
tekenares, schilderes, kunstnaaldwerkster

Wilhelmina Arnoldina (Mien) Snethlage werd geboren te Amsterdam op 31 december
1890 als dochter van Jacobus Martinus Snethlage en diens tweede vrouw Maria Cornelia
Johanna de Bruyn Kops. Haar vader was predikant, haar moeder had vóór haar huwelijk
veel geschilderd en geëxposeerd. Dat kwam er later, toen zij vijf kinderen kreeg (en de
zorg voor de twee kinderen van haar man en diens jong overleden eerste vrouw) niet
meer van. Maar het lijkt niet te gewaagd om te veronderstellen dat Mien (voor mij Tante
Mien) het kunstzinnige talent van haar moeder had geërfd.
Zij bezocht in Amsterdam eerst de Dagteekenschool voor Kunstambachten en daarna,
van 1912-1915 de Rijksacademie van Beeldende Kunsten. Daar was zij een leerling van
Prof. Carel Lodewijk Dake Sr.
In 1915 trouwde zij met Dr Frederik Lodewijk Rutgers en woonde eerst met hem in
Amsterdam, maar verhuisde in 1917 naar Dedemsvaart, waar haar man directeur werd
van de Kon. Kwekerij Moerheim. Zij kregen twee zonen, Frederik Lodewijk (Frits) en
Jacobus Martinus (Maarten). Ondertussen bleef zij actief als kunstenares en maakte
ook werk ten behoeve van Moerheim, zoals de afgebeelde omslag voor een tuingids van
Moerheim.
Helaas liep het huwelijk later stuk en zij verhuisde naar Laren (N.H.).
Zij beoefende vele technieken, maakte olieverfschilderijen, aquarellen, tekeningen, pentekeningen, grafisch
werk en in een latere fase veel kunstnaaldwerk. Met dat laatste schilderde zij als het ware met naald en
draad. Naast het vrije werk maakte zij ook kalenders. Haar onderwerpen varieerden: landschappen, (enkele)
portretten, maar vooral heel veel bloemen en bloesemtakken.
Zij was lid van de Vereeniging St Lucas te Amsterdam en van de Beeldende Kunstenaars Vereeniging Laren-
Blaricum. Omstreeks 1955 verhuisde zij naar een serviceflat in De Bilt. Ik heb nog een krantenknipsel uit 1973
van het Utrechts Nieuwsblad, regio de Bilt, waarin de eerste expositie
“Kunst van Biltenaren” wordt besproken. Daarin wordt Tante Mien genoemd
als de oudste der kunstenaars en ook wordt vermeld dat zij expres een flat
op het Noorden had vanwege het licht. In de Biltse jaren exposeerde zij
regelmatig (ik denk jaarlijks) met haar kunstnaaldwerk in Utrecht, in elk
geval in Galerie Jas. Maar zij maakte ook tot op hoge leeftijd nog
pentekeningen. Daarvan getuigen de kerstkaarten die zij jaarlijks stuurde.
Helaas gingen haar ogen toen zij oud werd achteruit. Zij werkte toen met
gebruik van een sterke loupe, maar toen dat niet meer ging voor de
pentekeningen en de kunstnaaldwerken, legde zij zich toe op het maken van
glasmozaïeken, waarvoor het materiaal wat groter was.
Tante Mien was een bijzonder aardige, bescheiden vrouw. Tegelijkertijd was
zij zeer gedreven in haar werk. Ik herinner mij dat zij vertelde dat er in de
serviceflat nogal wat onderling gezelligheidsverkeer was tussen de bewoners.
Dat vond zij uitstekend, maar zij wilde ook ongestoord kunnen werken.
Daartoe had zij, voor als zij aan het werk was, een bord gemaakt met “Niet
storen s.v.p” dat zij dan buiten aan haar deur hing. Zij is dan ook tot op hoge
leeftijd zeer productief geweest.
Met haar zonen, die beiden in het buitenland woonden, onderhield zij een
zeer hecht contact. Frits werkte jarenlang in Nederlands-Indië voor de
overheid en in Azië voor de Nederlandsche Handel Maatschappij, terwijl
Maarten naar Australië was geëmigreerd. Deze laatste bleef ongetrouwd en
overleed veel te jong, een groot verdriet voor zijn moeder. Het was een
vreugde voor haar een toen Frits en zijn vrouw Ancha weer naar Nederland
terugkeerden. Maar ook buiten deze allernaasten had zij bepaald
familiegevoel. Dat bleek al uit de vele kerstkaarten die niet alleen bij mijn
ouders maar ook bij de andere neven en nichten belandden en uit het feit
dat de meesten van hen ook kunstnaaldwerk van haar bezaten. Ook bleek
het mij toen ik van de erfgename van Frits en Ancha twee foto-albums
kreeg. Het ene is een groot album, dat begint met een collage van ouders,
grootouders, familiehuizen e.d. en vervolgt met vele foto's van haar eigen
gezin en de naaste familieleden en hun gezinnen. Het andere is een klein
albumpje waarin systematisch op volgorde van leeftijd haar broers en
zusters en hun kinderen plus aanhang zijn opgenomen.
Toen haar laatste levensfase in zicht kwam verhuisde zij nog vanuit De Bilt
naar een verzorgingshuis in Heemstede, om zo dichterbij Frits en Ancha te
zijn. Daar overleed zij op 28 januari 1982. Haar familiegevoel bleek ook
toen, want haar neef, mijn vader, de zoon van haar oudste broer, leidde
overeenkomstig haar wens de begrafenis.
Ik hoop dat de bijgevoegde illustraties een beeld geven van het werk en daarmee ook van de persoon van mijn
Tante Mien, die ik niet eens zo vaak heb ontmoet, maar aan wie ik wel met veel genegenheid terugdenk.
Dank tenslotte aan Else Giesberger en Bram Rutgers voor het beschikbaar stellen van illustratiemateriaal.
Albert Snethlage, oktober 2014

Hieronder in wisselende presentatie nog een aantal van haar werken:
English summary:

Wilhelmina Arnoldina (“Mien”) Snethlage, 1890-1982,  followed first the Drawing-school in Amsterdam and later the Royal Academy of Arts and Design. There she was a pupil of Prof. Carel Lodewijk Dake.
She made drawings, paintings, water-colours, pen-drawings, etches, engravings and as well art needle works and glass mosaic work.
She was married to Dr Frederik Lodewijk Rutgers and lived with him in Amsterdam and Dedemsvaart. When the marriage ended in divorce, she lived in Laren (N.-H.) and De Bilt.
She was a very sympathic and unpretending woman, and most committed to her work. She was a member of several unions of artists and went on with her work into old age.





 
English summary